Anatomie

De zeehond is een duikmachine in een speklaag.

Een lichaam als een torpedo, een vetlaag tot vijf centimeter dik, spieren die zuurstof opslaan en snorharen die vissporen volgen in troebel water — elk onderdeel is een aanpassing aan een leven onder water.

Het stroomlijnlichaam

Een zeehond is van kop tot staart gebouwd om zonder weerstand door water te bewegen. Het lichaam heeft de klassieke torpedo- of spoelvorm: smal aan beide uiteinden, breed in het midden, zonder uitstekende delen die de stroming verstoren. Bij de echte zeehonden (familie Phocidae) — waar de gewone en grijze zeehond toe behoren — zijn er geen externe oorschelpen: het oor is een eenvoudige opening in de huid, die onder water sluit. Ook de mannelijke geslachtsdelen zijn intern, en de tepels van de wijfjes verdwijnen in de huid wanneer ze niet zogen.

De achterflippers staan permanent naar achteren gericht en kunnen niet onder het lichaam gevouwen worden. Dat maakt een zeehond op het droge onhandig — hij schuift en rupst over de zandplaat — maar in het water is het de motor: door zijn achterlijf in horizontaal vlak heen en weer te zwaaien, krijgt hij voortstuwing. De voorflippers worden vooral gebruikt om te sturen. Het is precies omgekeerd bij de oorrobben (Otariidae, zoals zeeleeuwen en pelsrobben): die zwemmen met hun voorflippers en kunnen hun achterflippers wél naar voren draaien, waardoor ze op land kunnen "lopen".

De speklaag

Onder de huid ligt een dikke laag wit vetweefsel, de speklaag of blubber. Bij volwassen Nederlandse zeehonden is die laag op het romppunt tot ongeveer vijf centimeter dik, dunner op kop en flippers. De speklaag vervult drie functies tegelijk: isolatie tegen koud Noordzeewater, stroomlijning (alle holtes en spierbundels worden glad opgevuld), en — niet minder belangrijk — energiereserve.

Die reserve is essentieel. Tijdens de jaarlijkse verharing en tijdens de zoogperiode eten zeehonden nauwelijks. Een gewoon zeehondvrouwtje verliest tijdens drie tot vier weken zogen tot een kwart van haar lichaamsgewicht, vrijwel volledig uit haar blubber. Voor pups werkt het omgekeerd: ze leggen in dezelfde periode juist een vetlaag aan met behulp van de extreem vette moedermelk.

Een zeehond bewaart zuurstof niet vooral in zijn longen — die perst hij vóór de duik leeg — maar in zijn bloed en in zijn spieren.

Spieren als duikfles

Een zeehond die duikt heeft een truc die geen duiker met een persluchtfles kan nadoen: hij neemt zuurstof mee in zijn weefsel zelf. In de spieren zit een hoge concentratie myoglobine, een zuurstofbindend eiwit verwant aan hemoglobine. In het bloed zit bovendien meer hemoglobine dan bij landzoogdieren, en het bloedvolume per kilo lichaamsgewicht is groter. Daardoor kan de zeehond, ondanks zijn relatief kleine longen, lange duiken aan: de gemiddelde duik duurt enkele minuten, maar bijzondere duiken kunnen oplopen tot ongeveer twintig minuten.

Tegelijk is de ademreflex zwakker dan bij ons. Een zeehond die te lang onder water blijft, krijgt niet onmiddellijk de paniekprikkel om naar de oppervlakte te schieten. Dat klinkt riskant, maar het is precies wat lange duiken mogelijk maakt. Tijdens de duik daalt de hartslag bovendien drastisch — zie de pagina over gedrag voor de details van die duikreflex.

De zintuigen

Voor een dier dat jaagt in troebel water, soms 's nachts of in winterse modder, zijn de zintuigen niet alleen ondersteunend — ze zijn beslissend.

  • Snorharen (vibrissae)Volgen hydrodynamische vissporen
  • OgenGrote pupil, lens voor onderwater
  • GehoorBoven én onder water
  • NeusgatenSluiten actief bij duiken
  • Smaak / reuk boven waterBeperkte rol bij jagen

De snorharen, of vibrissae, zijn het opvallendste zintuig. Ze zijn beweegbaar en aangesloten op een groot zenuwgebied in de hersenen. Experimenten met geblinddoekte zeehonden in laboratoria laten zien dat ze met hun vibrissae het hydrodynamische "spoor" — de minuscule wervelingen die een vis achterlaat — minutenlang na een passage nog kunnen volgen. In de troebele Waddenzee, waar je vaak nog geen halve meter ver kunt zien, is dat onmisbaar.

De ogen zijn opvallend groot voor het lichaamsformaat. De pupil kan zich enorm verwijden voor schemerlicht onder water, en de lens is bolvormig om onderwater scherp te stellen — bij ons werkt de lens vooral in lucht. Boven water zien zeehonden minder scherp, maar nog steeds goed genoeg om beweging op afstand te herkennen. Het gehoor werkt zowel in lucht als onder water, met aparte aanpassingen voor beide milieus. De neusgaten zijn in rust gesloten en gaan alleen open om actief in te ademen — er hoeft geen spierwerk geleverd te worden om ze dicht te houden, juist om ze open te zetten.

Voor- en achterflippers

De flippers van een zeehond zijn evolutionair vingers en tenen. Op een röntgenfoto zijn de vijf vingerkootjes nog perfect herkenbaar; ze zitten alleen onder een huidlap. De voorflippers dragen klauwen — de zeehond gebruikt ze om jeuk te krabben, zich op de zandplaat af te zetten en soms om een prooi vast te houden. De achterflippers hebben kleinere nagels en zijn vooral spiermotor. Bij de gewone zeehond zijn de klauwen op de voorflippers fors; bij de grijze zeehond minstens zo opvallend.

Vacht en verharing

De vacht bestaat uit korte, stijve dekharen zonder een dichte ondervacht. De huid eronder is waterdicht; de vacht zelf is dat eigenlijk niet, en dient meer als afdeklaag dan als isolatie — die rol vervult de speklaag. Eenmaal per jaar verharen beide soorten: de gewone zeehond meestal tussen augustus en oktober, de grijze zeehond vooral in het voorjaar. Tijdens het verharen liggen ze veel op de zandplaat, omdat de huid in dat proces beter doorbloed wordt en het water dan extra warmteverlies geeft. Verstoring in deze periode is daarom kostbaarder dan men denkt; meer daarover op gedrag.

Phocidae versus Otariidae

De wereldwijde groep van zeehonden valt uit elkaar in twee grote families, plus de walrus. Het verschil zit niet alleen in de oorschelpen.

KenmerkEchte zeehonden (Phocidae)Oorrobben (Otariidae)
Externe oorschelpNee, alleen oorgatJa, klein oortje zichtbaar
AchterflippersVast naar achterenDraaibaar naar voren
Voortstuwing in waterAchterlijf, zijwaartsVoorflippers, "vliegen"
Beweging op landRupsen / schuivenLopen op vier flippers
VoorbeeldenGewone, grijze, ringelrob, monniksrobZeeleeuwen, pelsrobben

In Nederland leven uitsluitend Phocidae. Wie in dierentuinen een dier ziet "lopen" op vier flippers en met zichtbare oortjes, kijkt naar een oorrob — vaak een Californische zeeleeuw. De Nederlandse zeehonden in het wild kunnen dat niet. De anatomie hangt zo direct samen met wat het dier wel of niet kan: hoe het jaagt, hoe het zich op de zandplaat gedraagt, en hoe je beide soorten in het veld van elkaar onderscheidt.

De anatomie in het veld zien

Veel verschillen tussen de soorten — kopvorm, snuit, neusgaten — zie je het beste vanaf een vaartocht of een goed observatiepunt op de Wadden of in de Delta.