Het korte antwoord
Een Nederlandse gewone of grijze zeehond duikt gemiddeld 25 meter diep en blijft daarbij 5 tot 10 minuten onder water. Het diepste geregistreerde record voor onze soorten ligt rond 100 meter, met duurrecords tot 20 minuten. De meeste foerageerduiken zijn echter een stuk minder spectaculair: 10 tot 50 meter, een paar minuten lang, in de relatief ondiepe Noordzee.
Hoe diep, hoe lang?
Onderzoekers hebben sinds de jaren 80 zeehonden uitgerust met satelliet- en dieptelogger-zenders die per duik diepte, duur en hartslag opslaan. Wat daaruit blijkt: zeehonden zijn buitengewoon flexibele duikers. Op één dag kan dezelfde zeehond duizenden ondiepe "pendelduiken" maken in een visgrond, en daarnaast een handvol diepe verkenningsduiken.
| Soort | Gemiddelde duik | Maximum gemeten |
|---|---|---|
| Gewone zeehond | 10–30 m, 3–7 min | ~120 m, 17 min |
| Grijze zeehond | 20–60 m, 5–10 min | ~310 m, 20 min |
| Weddell-zeehond | 200–400 m, 15–30 min | ~600 m, 80 min |
De grijze zeehond duikt over het algemeen dieper en langer dan de gewone — passend bij zijn voorkeur voor grotere prooien zoals kabeljauw, die zich in dieper water ophouden. In de relatief ondiepe Waddenzee (gemiddeld 2 tot 20 meter diep) hebben de meeste dieren simpelweg geen 100 meter nodig.
De fysiologie: vier aanpassingen
Een mens kan in het beste geval 2 tot 3 minuten zijn adem inhouden. Een goed getrainde apnoeduiker haalt soms 6 tot 8 minuten en bereikt diepten tot 100 meter — met grote risico's op blackouts. Een zeehond doet dit dagelijks, terwijl hij ondertussen ook nog jaagt. Vier aanpassingen maken dat mogelijk:
1. Hoog myoglobinegehalte
De spieren van een zeehond zitten vol myoglobine, het eiwit dat zuurstof opslaat in spiercellen. Hun spieren zijn zo donker rood dat ze bijna zwart lijken. Per kilo spierweefsel slaan ze tot tien keer meer zuurstof op dan menselijke spieren. Daar bovenop is hun bloedvolume groter (1,5× per kilo) en het hemoglobinegehalte hoger. Een zeehond is dus, fysiologisch, een wandelende zuurstoftank.
2. Bradycardie (hartslagverlaging)
Bij het begin van een duik daalt de hartslag van een zeehond van 100 naar soms maar 10 slagen per minuut. Dit "duikreflex" (vergelijkbaar met wat ook bij mensen in koud water optreedt, maar veel sterker) bespaart zuurstof omdat het hart minder werk doet. Pas bij het oppervlak komen schiet de hartslag terug omhoog.
3. Bloedherverdeling
Tijdens de duik trekken bloedvaten in de huid, darmen en uiteinden zich samen. Het bloed wordt herverdeeld naar de kerngebieden die zuurstof het hardst nodig hebben: hersenen en hart. Spieren werken in die periode anaeroob op de opgeslagen myoglobine-zuurstof. Bij het opstijgen herstelt de circulatie en wordt het opgebouwde melkzuur weggewerkt.
4. Zwakke ademreflex
Waar wij bij stijgende CO₂ een onbedwingbare ademdrang voelen, is die reflex bij zeehonden grotendeels onderdrukt. Ze ademen bewust, niet reflexmatig. Daardoor kunnen ze langdurig onder water blijven zonder paniek of automatisch inademen — een vereiste voor zowel diep duiken als slapen onder water.
En de longen?
Een veelgestelde vraag: krijgen zeehonden geen caissonziekte (decompressieziekte) bij snel opstijgen? Het antwoord is nee. Hun longen zijn anders gebouwd: bij toenemende druk klappen de longblaasjes doelbewust in (alveolair collaps) en blijft de lucht alleen in de luchtwegen, waar geen gasuitwisseling plaatsvindt. Geen stikstof in het bloed onder druk betekent geen belletjes bij ontspanning. Menselijke duikers krijgen daarom met persluchtflessen problemen die zeehonden simpelweg niet kennen.
Het wereldrecord: de Weddell-zeehond
Onze Noord-Atlantische soorten zijn duikers van wereldklasse, maar niet wereldrecord. Die titel is voor de Weddell-zeehond (Leptonychotes weddellii) uit Antarctica: gemeten duiken tot 600 meter diepte en tot 80 minuten lang. Onder het pakijs, in volstrekte duisternis en bij 1,8°C-water, jaagt deze soort op poolkabeljauw en pijlinktvis. Het is het diepste gemeten record onder zeehonden en plaatst ze in dezelfde liga als beleidsvolle walvissoorten.
Pas onlangs is duidelijk geworden hoe ze dat doen: behalve alle bovengenoemde aanpassingen hebben Weddell-zeehonden een dubbel zo hoge bloedvolume per kilo én een specifiek aangepaste myoglobine die niet aan elkaar plakt bij hoge concentraties — een evolutionaire chemische truc die wetenschappers nu proberen na te bootsen voor menselijke geneeskunde.
Meer over de Antarctische soortgenoten op soorten wereldwijd; over de anatomie zelf op zeehondanatomie.
Meer feitelijke antwoorden?
Terug naar de kennisbank voor alle veelgestelde vragen — kort en helder beantwoord.