Kennisbank

Hoe diep duikt een zeehond?

In de Noordzee meestal 10 tot 50 meter, een paar minuten lang. Maar gewone en grijze zeehonden kunnen honderden meters diep — en olifantsrobben ruim twee kilometer. De fysiologie erachter.

Leestijd 4 minuten · Onderdeel van: Kennisbank

Het korte antwoord

Een Nederlandse gewone of grijze zeehond duikt gemiddeld 25 meter diep en blijft daarbij 5 tot 10 minuten onder water. In de relatief ondiepe Noordzee kunnen ze ook niet veel dieper. Waar het water dieper is, gaan ze verder: bij gewone zeehonden voor de kust van Groenland is een duik tot 631 meter gemeten, bij grijze zeehonden tot 477 meter. Duiken van een kwartier tot twintig minuten komen voor.

Hoe diep, hoe lang?

Onderzoekers hebben sinds de jaren 80 zeehonden uitgerust met satelliet- en dieptelogger-zenders die per duik diepte, duur en hartslag opslaan. Wat daaruit blijkt: zeehonden zijn buitengewoon flexibele duikers. Op één dag kan dezelfde zeehond duizenden ondiepe "pendelduiken" maken in een visgrond, en daarnaast een handvol diepe verkenningsduiken.

SoortGemiddelde duikMaximum gemeten
Gewone zeehond10–30 m (Noordzee), 3–7 min631 m (Groenland)
Grijze zeehondmeestal <120 m, <8 min477 m
Weddell-zeehondhonderden meters~600 m, >1 uur
Zuidelijke olifantsrobgemiddeld honderden meters, vaak 20–30 min2.388 m

De grijze zeehond duikt over het algemeen dieper en langer dan de gewone — passend bij zijn voorkeur voor grotere prooien zoals kabeljauw, die zich in dieper water ophouden. In de relatief ondiepe Waddenzee (gemiddeld 2 tot 20 meter diep) kunnen de dieren simpelweg niet diep duiken.

De fysiologie: vier aanpassingen

Een mens kan in het beste geval 2 tot 3 minuten zijn adem inhouden. Een goed getrainde apnoeduiker haalt soms 6 tot 8 minuten en bereikt diepten tot 100 meter — met grote risico's op blackouts. Een zeehond doet dit dagelijks, terwijl hij ondertussen ook nog jaagt. Vier aanpassingen maken dat mogelijk:

1. Hoog myoglobinegehalte

De spieren van een zeehond zitten vol myoglobine, het eiwit dat zuurstof opslaat in spiercellen. Hun spieren zijn zo donker rood dat ze bijna zwart lijken. Per kilo spierweefsel slaan ze tot tien keer meer zuurstof op dan menselijke spieren. Daar bovenop is hun bloedvolume groter (1,5× per kilo) en het hemoglobinegehalte hoger. Een zeehond is dus, fysiologisch, een wandelende zuurstoftank.

2. Bradycardie (hartslagverlaging)

Bij het begin van een duik daalt de hartslag van een zeehond van 100 naar soms maar 10 slagen per minuut. Dit "duikreflex" (vergelijkbaar met wat ook bij mensen in koud water optreedt, maar veel sterker) bespaart zuurstof omdat het hart minder werk doet. Pas bij het oppervlak komen schiet de hartslag terug omhoog.

3. Bloedherverdeling

Tijdens de duik trekken bloedvaten in de huid, darmen en uiteinden zich samen. Het bloed wordt herverdeeld naar de kerngebieden die zuurstof het hardst nodig hebben: hersenen en hart. Spieren werken in die periode anaeroob op de opgeslagen myoglobine-zuurstof. Bij het opstijgen herstelt de circulatie en wordt het opgebouwde melkzuur weggewerkt.

4. Hoge tolerantie voor CO₂

Waar wij bij stijgende CO₂ een onbedwingbare ademdrang voelen, reageren zeehonden veel minder sterk op CO₂. Daardoor kunnen ze langdurig onder water blijven zonder dat de ademdrang hen naar boven dwingt — een vereiste voor zowel diep duiken als slapen onder water.

En de longen?

Een veelgestelde vraag: krijgen zeehonden geen caissonziekte (decompressieziekte) bij snel opstijgen? Het antwoord is nee. Hun longen zijn anders gebouwd: bij toenemende druk klappen de longblaasjes doelbewust in (alveolair collaps) en blijft de lucht alleen in de luchtwegen, waar geen gasuitwisseling plaatsvindt. Geen stikstof in het bloed onder druk betekent geen belletjes bij ontspanning. Menselijke duikers krijgen daarom met persluchtflessen problemen die zeehonden simpelweg niet kennen.

De recordhouders: olifantsrobben en de Weddell-zeehond

De echte diepzeeduikers onder de zeehonden zijn de olifantsrobben. Bij een zuidelijke olifantsrob is een duik tot 2.388 meter gemeten, bij een noordelijke tot 1.735 meter; duiken van een half uur zijn voor hen routine. De Weddell-zeehond (Leptonychotes weddellii) uit Antarctica duikt tot zo’n 600 meter onder het pakijs en kan meer dan een uur onder water blijven, jagend op vis en inktvis.

Deze diepduikers gebruiken dezelfde aanpassingen als onze zeehonden, alleen nog extremer: een zeer groot bloedvolume, extreem veel myoglobine in de spieren en een sterke daling van de hartslag tijdens de duik.

Meer over de Antarctische soortgenoten op soorten wereldwijd; over de anatomie zelf op zeehondanatomie.

Meer feitelijke antwoorden?

Terug naar de kennisbank voor alle veelgestelde vragen — kort en helder beantwoord.